Verenplukken en veerbeschadigend gedrag bij papegaaien 

Verenplukken en veerbeschadigend gedrag bij papegaaien 

Voor papegaaien is het poetsen van de veren een onderdeel van het normale gedragspatroon. Als vogels dit gedrag obsessief vertonen waarbij de veren die voor de vogel bereikbaar zijn met de snavel worden uitgetrokken, gerafeld, geknipt of kapotgebeten noemen we dit verenplukken of veerbeschadigend gedrag. Verenplukken komt naar schatting voor bij tenminste 1 op de 10 papegaaien, en dan met name bij kaketoes en grijze roodstaarten. Hoewel het gedrag op het eerste oog vooral een cosmetisch effect heeft, raakt de vogel door het uittrekken van de veren ook zijn isolerende verenlaag kwijt en moeten nieuwe veren aangemaakt worden. Een en ander heeft invloed op het energieverbruik van de vogel. Daarnaast kan tijdens het uittrekken van een veer de veerfollikel beschadigd raken, wat op zijn beurt kan leiden tot bloedingen of infecties. Het uittrekken van veren kan daarmee leiden tot uitgebreidere gezondheidsproblemen.  

Wanneer een vogel zijn veren begint uit te trekken gebeurt dit niet zonder reden. Het kan echter lastig zijn om de aanleiding te achterhalen, zeker wanneer het gedrag al langere tijd gaande is of wanneer er meerdere factoren door elkaar spelen. Verenplukken kan namelijk door een mix van factoren veroorzaakt worden waaronder medische, neurobiologische en omgevingsfactoren. In principe kan elke aandoening die pijn, ongemak, irritatie of jeuk geeft ertoe leiden dat de papegaai aan de huid of zijn veren gaat bijten om het ongemak te verminderen, vergelijkbaar met het wrijven over een pijnlijke plek of krabben bij jeuk zoals wij dat doen. De lijst aan medische aandoeningen die onderliggend kunnen zijn aan het verenplukken is daardoor immens lang (N.B. Tijdens de Hope for Wings dag op 18 oktober zal tijdens een lezing door Zoë van der Plaats uitgebreider ingegaan worden op een aantal veelvoorkomende medische oorzaken van verenplukken).  

Naast de medische factoren kunnen ook omgevingsfactoren een rol spelen, enerzijds doordat de vogel blootgesteld wordt aan ongewenste prikkels (zoals plotselinge veranderingen, nieuwe voorwerpen of andere bedreigingen); anderzijds doordat de leefomgeving de vogel onvoldoende stimulatie en/of mogelijkheden biedt om aan de specifieke levensbehoeften te voldoen (denk aan gebrek aan sociale interactie of onvermogen om natuurlijk gedrag zoals foerageren uit te voeren). Hierdoor kan de vogel een zekere vorm van stress, angst, verveling of frustratie ervaren, wat kan leiden tot overmatig verenpoetsen als ‘coping strategie’ om zo de negatieve emoties van zich ‘af te poetsen’.  

Wanneer geen verandering in de situatie optreedt kan dit uiteindelijk leiden tot het inslijten van het gedrag (‘ritueel’ verenplukken), waarbij het gedrag een gewoonte of abnormaal repeterend gedrag is geworden, vergelijkbaar met het ‘ijsberen’ zoals dat door dierentuindieren vertoont wordt. In dit soort gevallen is er sprake van gedrag dat moeilijk omkeerbaar is geworden, doordat er bepaalde veranderingen in de hersenen zijn opgetreden. Het is dan ook belangrijk om die situatie te proberen te voorkomen. Overigens worden vergelijkbare hersenveranderingen ook vermoed bij vogels waarbij op jonge leeftijd de ouderzorg is ontnomen doordat ze met de hand zijn opgefokt: uit onderzoek is gebleken dat deze vogels een 9x hoger risico lopen op het ontwikkelen van verenplukken dan vogels die door hun ouders opgevoed zijn. Een goede reden dus om handopfok zoveel mogelijk te vermijden! 

Vanwege de veelheid en combinatie aan medische, psychische en omgevingsfactoren die ten grondslag kunnen liggen aan verenplukken en veerbeschadigend gedrag kan de zoektocht lang en frustrerend zijn. Veelal is een combinatie van uitsluiten van medische oorzaken en zorgvuldige analyse van het gedrag en leefomgeving van de vogel nodig. De plek waar het verenplukken begonnen is kan daarbij belangrijke aanwijzingen geven over mogelijke onderliggende aandoeningen, en aan de hand van de gedane bevindingen kan vervolgens worden vastgesteld of nader onderzoek in de vorm van bijvoorbeeld bloedonderzoek, biopten, röntgenfoto’s en/of andere beeldvormende diagnostiek gewenst en nodig is. Een gedragsanalyse helpt daarnaast om vast te stellen welke omgevingsfactoren mogelijk een rol spelen bij het ontwikkelen en in stand houden van het veerbeschadigend gedrag.  

Het behandeltraject voor een verenplukkende vogel kan lang en intensief zijn, waarbij het succes van de behandeling sterk afhangt van het vaststellen, behandelen en elimineren van alle betrokken factoren. Daarom worden beide processen (medisch onderzoek en gedragsanalyse) bij voorkeur gelijktijdig uitgevoerd om geen onnodige vertraging in het proces op te leveren of factoren over het hoofd te zien. Een in te stellen behandeling wordt vervolgens weer nauwlettend afgestemd op de factoren die bij de eerdere analyse en onderzoek naar voren zijn gekomen. Daarbij geldt dat, hoe eerder een passende behandeling ingesteld kan worden, hoe groter de kans dat het verenplukken effectief behandeld kan worden. Vroegtijdig signaleren van veerbeschadigend gedrag en vlot inschakelen van hulp zijn daarom essentieel!   

Bron: Dr.Yvonne van Zeeland, Vogelspecialist Faculteit Utrecht

Reactie verzenden

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *